Home
       Wie zijn wij
       Wie is waar
       Activiteiten
       Geregistreerde bezoekers
       C.O.M. nieuws
          2008 - C.O.M. Hasselt
          2009 - C.O.M. Piacenza
          2010 - C.O.M. Matosinhos
          2011 - C.O.M. Tours
          2012 - C.O.M. Almeria
          2013 - C.O.M - Hasselt
       Enquête

Artikelen
       Nomenclatuur

Standaarden

Foto's
       Kleurkanaries

Weblogs

Forum

Te koop

Links
       Plaats link naar Ornivaria

Support
       Veel gestelde vragen
       Contact

GO
Aanmelden
Nieuwtjes
Ornivaria is op zoek naar kwaliteitsfoto's over allerlei vogels, planten en insecten die geschikt zijn voor onze gevleugelde vrienden. Bent u iemand die deze in zijn bezit heeft en die deze gratis op deze website wil publiceren, dan ben je onze partner. Als je dat wil doen geef ons dan een seintje
Home • Hier bent u:  Artikelen  
RSS-feed RSS-feed
Als je op de knop XML in de hoofdding hieronder klikt dan kun je een feed-abonnement op deze pagina nemen. Bijgewerkte informatie op deze bladzijde wordt automatisch naar uw computer gedownload en kan worden bekeken in Internet Explorer en andere programma's.
Artikelen Ornivaria      
 
 
zondag 23 maart 2008
Onze bruine kanaries, verwarring troef
Door Gilbert Vanden Borre @ 6:46 :: 8462 Bekeken :: 2 Opmerkingen :: :: Kleurkanaries standaarden
 
© Ornivaria Kleurkanaries :: Standaardeisen
Auteur: Gilbert Vanden Borre Versie: 2007-03-23
Inhoud
Inleiding
De standaardeisen voor alle bruine kleurkanaries hebben de laatste jaren heel wat commotie veroorzaakt bij onze kleurkanarieliefhebbers. In dit artikel wil ik ingaan op de diverse factoren en inzichten die daarvoor verantwoordelijk zijn. Om dit goed te kunnen duiden beschrijf ik enkele genotypische eigenschappen en fenotypische kenmerken van alle bruine kleurkanaries. Daarna plaats ik deze tegen de huidig geformuleerde standaardeisen.
Genotypische eigenschappen versus fenotypische kenmerken
Het genotype betekent de erfelijke informatie over een bepaalde eigenschap van een levend wezen. Deze informatie bevindt zich in de genen in het DNA .
Tegenover het genotype staat het fenotype. Wat de externe manifestatie van de beschouwde eigenschap in kwestie betekent. Alle eigenschappen van een levend wezen worden dus bepaald door het genotype (de erfelijke aanleg) en de invloed van het milieu. Zo is het algemeen bekend dat bij kleurkanaries zowel de vorming van de melanine als de lipochroomkleur beïnvloed worden door voeding, zonlicht, vochtigheidsgraad, bacteriën…
Voor heel wat complexe fenotypische eigenschappen is het niet eenvoudig om het bijbehorende genotype vast te stellen. Vaak is het zelfs moeilijk om te bepalen in hoeverre de omgeving (het milieu) van het organisme op het fenotype van invloed is, en hoeveel van de eigenschap uit het genotype afkomstig is.
Genotypisch is een bruine kanarie niets anders dan een zwarte kanarie waarbij de eumelanine niet zo ver is geoxideerd. In de plaats dat de kleur van het eumelanine zwart is, is deze maar bruin. De aanwezige bruine feomelanine ondergaat daarbij geen wijziging.
Door het inbrengen van allerlei andere mutaties, factoren die hun invloed hebben op de structuur van de bevedering en omgevingsinvloeden kan de kleur van de melanine verbleken, verdonkeren of worden omgezet in een andere kleur. Zo is het onder meer bekend dat een aantal factoren de bruine eumelanine en feomelanine kunnen transformeren naar een (donker) grijze kleur.
De allereerste vraag die men zich moet stellen is bijgevolg zeer eenvoudig.
Wat is de kleur van de bruine melanine (respectievelijk de eumelanine en de feomelanine) bij een bruine kleurkanarie? Is dit (donker)bruin, of is dit daarentegen meer (donker)bruin-grijs?
 
Het antwoord op deze vraag bepaalt welk fenotypisch ideaalbeeld men voor een bruine kanarie wil creëren.
Indien men kiest voor een kleurkanarie die in het verlengde ligt van het genotype is dit ongetwijfeld (donker)bruin. Indien men daarentegen kiest voor een (donker)bruin-grijze kleur dan doet men bewust afstand van de relatie tussen het genotype enerzijds en het fenotype anderzijds.
Bij kleurkanaries kan men vaak aantonen dat in standaardeisen deze relatie niet wordt gerespecteerd. Veelal zijn de verklaringen daarvoor te vinden in het onvoldoende bestuderen van de inwerkende factoren, modeverschijnselen, persoonlijkheden die (te sterk) een invloed uitoefenen, lobbyen van groepen liefhebbers die vogels bezitten met bepaalde kenmerken…
 
Foto: Dirk De Schinkel
 
Bespreking
Links een bruinwit in het verlengde van het genotype. De bruinwit rechts is dit niet.
Maximale eumelanine en maximale feomelanine
De bevedering, de hoorndelen en de ogen van onze kanaries bevatten melanine. Dit is een zwarte, grijze, donkerbruine, roodbruine, lichtbruine, beige kleurstof. Melanine kan staaf- of bolvormig zijn hoewel wij dit niet met het blote oog kunnen waarnemen. Microscopisch kan dit wel. Voor de eenvoud spreken we altijd van melaninekorrels die op een bepaalde wijze verdeeld en/of geconcentreerd liggen in elke veer. De aanwezigheid van alle melaninekorrels in alle veren, hoorndelen en ogen bepalen, samen met de aanwezige lipchroomkleur (of het afwezig zijn van een lipochroomkleur) het totaalbeeld. Biologisch maakt men het onderscheid door de chemische oplosbaarheid te bepalen. Eumelanine is staafvormig, feomelanine bolvormig.
Beide melaninen hebben ook een andere vererving. Eumelanine vererft geslachtsgebonden. feomelanine vererft niet geslachtsgebonden.
Zowel de zwarte als de bruine kanarie wordt geclassificeerd als een maximum melaninevogel. Denkt men hierover logisch na dan kan men niet anders dan hieronder het volgende verstaan. De grootst mogelijke hoeveelheid eumelanine en feomelanine moet worden bereikt.
De tweede vraag luidt dus.
Moeten zwarte en bruine kanaries én de grootst mogelijke hoeveelheid eumelanine én de grootst mogelijke hoeveelheid feomelanine bezitten?
Verfijning van de begrippen maximale eumelanine en maximale feomelanine
De begrippen maximale eumelanine en maximale feomelanine zorgen voor heel wat verwarring. De grootst mogelijke hoeveelheid, zoals hierboven aangehaald slaat zowel op de kwaliteit als op de kwantiteit. Wil men dit onderscheid niet maken dan kan men gemakshalve spreken van de hoogst mogelijke concentratie aan melaninekorrels op een bepaalde oppervlakte.
Zonder een diepgaande uiteenzetting te beogen over waar de eumelaninekorrels zich nu juist bevinden in een donsveer, dekveer, slagpen, staartpen… zijn deze bij kanaries visueel waarneembaar in de vorm van een concentratie van korrels op bepaalde plaatsen van het lichaam. Visueel herkennen we deze concentratie als de bestreping welke heel wat verschijningsvormen kan hebben. Fijn, kort en onderbroken of daarentegen breed, lang en in elkaars verlengde. Waarmee de twee uiterste zijn aangegeven. Als vanzelfsprekend bestaan alle mogelijke tussenvormen. Een verkeerde veronderstelling is dat maximale eumelanine alleen wordt gekenmerkt door breed, lang en in elkaars verlengde. Dezelfde maximale hoeveelheid bekomt men eveneens door brede, korte en onderbroken bestreping na te streven. Eén en ander is volledig afhankelijk van de opties die door technische comités terzake worden genomen. Het beantwoorden van een derde belangrijke vraag dringt zich op.
Welke eumelaninepatroon definieert men als het meest natuurlijke en in hoever moet het eumelaninepatroon dat men eist daaraan beantwoorden?
In ieder geval is het zo dat zowel de eisen die men in het recente verleden in de Noordelijke landen (Nederland, België, Duitsland…) terzake als ideaalbeeld vooropstelde – fijn, kort en onderbroken – als de eisen die men in de Zuidelijke landen (Italië, Spanje, Frankrijk…) heeft verplicht – breed, lang en niet onderbroken – geen normale natuurlijke verschijningsvormen zijn. Beide uitingsvormen vergen van de kweker zodanige selectie dat deze ofwel moeilijk te bereiken zijn, ofwel afbreuk doen aan mogelijke mutaties die men in deze vogel later wil inbrengen. Beide eisen kunnen we beschouwen als een mode- en een cultuurverschijnsel. Ze bieden aan de keurder wel enorme mogelijkheden. Bijna altijd kan men voor elke, ter keuring aangeboden kleurkanarie, aanmerkingen formuleren. Hierdoor wordt het keuren van kleurkanaries relatief eenvoudig en wordt de keurder beschermd tegen negatieve kritiek.
De meest natuurlijke eis is een relatief brede, kort en onderbroken bestrepingspatroon. Een bestrepingspatroon dat normaal ook geldt voor alle kleurkanaries, allerlei mutaties en mutatiecombinaties inbegrepen. Of waarom het moeilijker maken als het eenvoudig ook kan. Weet, dat men door selectie eender welk eumelaninepatroon kan bereiken. Het is zelfs mogelijk om in de zeer nabije toekomst een eumelaninepatroon te kweken waarbij een concentratie van eumelaninekorrels eveneens op de borst en de onderbuik aanwezig is. Indien men hier consequent op selecteert zal men een egalere eumelanineverdeling over het ganse lichaam verkrijgen.
Voor de feomelaninekorrels kan men eveneens stellen dat deze op bepaalde plaatsen van het lichaam in meer of in mindere mate aanwezig zijn. Meer geconcentreerd in de hals en in de nek, op de rug, de stuit dan op de borst, de schouders en onderlichaam. Als men maximale feomelanine eist voor een bepaalde kleurslag – zoals een zwarte of een bruine kanarie – slaat dit zowel op de concentratie als op de gelijkvormige verdeling ervan. Van de wijze waarop de vierde vraag wordt beantwoord zal het totaalbeeld en de egaliteit van het kleurpatroon afhangen.
Welke eisen worden er gesteld op het vlak van feomelanine concentratie en egaliteit.
Het grote kenmerk van een hoge feomelanineconcentratie is dat de lipochroomkleuren, geel en rood, of het ontbreken van lipochroom zijnde: dominantwit, recessiefwit en mozaïek, voor een groot gedeelte worden gemaskeerd. Ze worden vermengd met de feomelanine. Indien de kleur van de feomelanine door geen andere factoren wordt beïnvloed blijft de kleur van feomelanine bruin. Is de concentratie onvoldoende dan is deze kleur bruin-beige. De vermenging met lipochroom (of ontbreken van lipochroom) geeft respectievelijk voor gele lipochroomkleur: bruin-geel; voor rode lipochroomkleur: bruin-rood en voor het ontbreken van de lipochroomkleur: bruin-wit. Deze kleurcombinaties bepalen in belangrijke mate het totaalbeeld.
Op plaatsen waar eumelanine aanwezig is overheerst de kleur van de eumelanine. Op plaatsen waar er weinig eumelanine aanwezig is kan feomelanine zich manifesteren. Op plaatsen waar er weinig feomelanine aanwezig is overheerst de zuivere lipochroomkleur. In dat laatste geval kan men duidelijk spreken van te weinig en niet egale verdeling van de feomelanine.
Invloed van diverse factoren
Er zijn heel wat factoren die een belangrijke invloed hebben op de kleur van de melanine, de kleur van het lipochroom of de kleur van het ontbrekende lipochroom.
 
De intensieffactor
Een eerste belangrijke factor is de intensieffactor. De intensieffactor zorgt ervoor dat de lengte van de bevedering een beetje korter is dan de lengte van de bevedering bij dezelfde vogel indien deze niet in het bezit is van deze factor. Dit heeft als gevolg dat zowel de eumelanine als de feomelanine als de lipochroomkleur tot op het einde van elke veer kan doordringen. De bruine eumelanine lijkt donkerder bruin, de aanwezige feomelanine lijkt eveneens donkerder bruin en de gele en rode lipochroomkleur wordt intenser. Intensieve bruine vogels hebben dan ook een totaalbeeld die donkerder bruin tonen dan niet-intensieve exemplaren.
Sommigen spreken soms van de schimmelfactor. Dit is fout. Een kanarie die niet in het bezit is van de intensieffactor is een schimmelvogel, maar bezit daarom nog geen factor die er voor zorgt dat hij een schimmelvogel is.
Belangrijk is om er eveneens op te wijzen dat de werking van de intensieffactor beïnvloed wordt door de lengte van de bevedering op elke plaats van het lichaam. Is deze lengte in orde, dan zal de intensieffactor een homogene werking hebben. Is dit niet het geval dan stelt men een heterogene werking vast. Dit laatste manifesteert zich dan in veervelden waar de kleur van de melanine en de lipochroomkleur niet tot op het uiteinde is doorgedrongen.
 
De eerste optische factor
 
Algemeen
Een tweede belangrijke factor is de blauwfactor. Deze factor noem ik eenvoudigweg ‘de eerste optische factor’. Dit doe ik bewust omdat we vandaag een tweede optische factor kennen die het totaalbeeld van onze kanaries in sterke mate beïnvloedt: namelijk de azulfactor. Deze laatste noem ik dan ook consequent ‘de tweede optische factor’. De naam die ik aan de werking van beide factoren toeken is wellicht tijdelijk en kan zonder problemen door een andere naam worden vervangen op voorwaarde dat de kenmerken van de werking van beide factoren wetenschappelijk wordt aangetoond. Hierbij ga ik uiteraard van de veronderstelling uit dat bij dit onderzoek geschikt onderzoeksmateriaal wordt gebruikt.
Heel dikwijls wordt door bepaalde liefhebbers een onderscheid gemaakt tussen een factor die een bepaalde invloed heeft op het totaalbeeld en een mutatie. Hiermee wil men dan aangegeven dat een factor in alle vogels zou mogen worden ingefokt maar een mutatie niet.
Mutaties zijn veranderingen in het erfelijk materiaal (DNA of RNA ) van een organisme (genotype) die al of niet uiterlijk waarneembaar zijn (fenotype). De intensieffactor en de eerste optische factor en ook nog heel wat andere factoren kan men gerust beschouwen als mutaties die op een bepaald tijdstip en plaats zijn opgetreden. Een onderscheid maken tussen een factor en een mutatie is dus in wezen irrelevant.
Sommigen definiëren de ivoorfactor eveneens als een optische factor. Dit doe ik niet. De ivoorfactor zorgt er natuurlijk wel voor dat we een totaal ander optisch beeld hebben van een vogel die in het bezit is van die factor, maar ik beschouw deze factor eerder als een volledige structuurwijziging. Ik noem deze factor dan ook een structuurfactor.
Op dit ogenblik zijn er twee gangbare theorieën om de werking van de eerste optische factor te duiden. Het Tyndall-effect en interferentie van lichtgolven.
 
Het Tyndall-effect
Het Tyndall-effect werd voor het eerst beschreven door de Engelsman John Tyndall en komt in essentie hier op neer. Wit licht bestaat uit een mengeling van verschillende golven. Elk met een specifieke golflengte, amplitude en frequentie, waardoor haar specifieke kleur ontstaat. De korte golflengtes van het licht worden door een bepaald medium meer verstrooid dan de lange. De basiskleuren van de korte golflengtes van het licht zijn blauw, indigo en violet. De basiskleuren van de lange golflengtes rood, oranje en geel. Onder verstrooid, of dispersie, wordt verstaan dat deze golflengtes veel meer worden teruggekaatst eventueel na breking door een min of meer doorschijnend medium. Elke veer van een vogel is opgebouwd uit keratine. Een eiwit dat als structuurelement dienst doet. De keratinehoudende onderdelen van elke veer zijn min of meer doorschijnend, ze hebben allen diverse wanddiktes die sterk variëren. Een ideaal medium waardoor de korte golflengtes van het licht grotendeels worden teruggekaatst zelfs nadat ze door het keratinemedium werden gebroken (dispersie). Een ander deel van het licht (lange golflengtes) worden vooral geabsorbeerd.
 
Interferentie van lichtgolven
De theorie die gebaseerd is op interferentie van lichtgolven gaat uit van meerdere lichtgolven die op dezelfde tijd en plaats optreden. Als men dit fenomeen bestudeert stelt men verschillende verschijnselen vast die zich tezamen kunnen voordoen afhankelijk van de frequentie, de amplitude en de fase van de golven, en de eigenschappen van het medium. Zo stelt men onder meer een interferentiepatroon vast waarbij er plaatsen met een hogere intensiteit ontstaan wanneer de golven in fase zijn. Op deze plaats versterken de golven elkaar. Dit fenomeen wordt ‘constructieve interferentie’ genoemd. Ook zijn er andere plaatsen met een lagere intensiteit waar de golven elkaar vernietigen. Dit fenomeen wordt ‘destructieve interferentie’ genoemd.
De bevedering van onze vogels bezit alle eigenschappen waar dit fenomeen zich kan voordoen. Als men vogels beoordeelt, hetzij binnen, hetzij buiten, met natuurlijk licht of met kunstlicht, steeds zijn er een oneindig aantal lichtbronnen aanwezig die allen lichtgolven uitstralen. De weerkaatsing van een lichtbron op oneindig veel oppervlakken zorgt immers voor dat fenomeen. Het waarnemen van het veranderen van de kleurintensiteit – afhankelijk van de plaats waar men zich bevindt en de diverse lichtbronnen die daar aanwezig zijn – bevestigen dit verschijnsel. Dit fenomeen verklaart echter niet dat de korte golven van het licht meer worden weerkaatst en de lange golven meer worden geabsorbeerd. Dit doet het Tyndall-effect wel.
De werking van de eerste optische factor kan dus worden verklaart door de gezamenlijke werking van beide fenomenen.
 
Visuele waarneming van de eerste optische factor
De eerste optische factor kan het best worden waargenomen tijdens de eerste rui. Bij vogels die in het bezit zijn van deze factor ondergaat de structuur van de bevedering een spectaculaire wijziging waarbij zowel het Tyndall-effect als interferentie van lichtgolven volledig tot hun recht komen en optisch goed is waar te nemen.
Vooral het Tyndall-effect zorgt ervoor dat de bruine eumelanine een bruin-grijze tint krijgt en de bruine feomelanine grijs wordt. Tezamen met de aanwezige lipochroomkleur – die intenser wordt –krijgt men dan respectievelijk: blauwgrijs (ontbrekende lipochroomkleur); groen (gele lipochroomkleur); mauve (rode lipochroomkleur).
Zoals hierboven reeds vermeld, kan men voor bruine kleurkanaries ofwel bewust kiezen dat zowel de kleur van de bruine eumelanine als de kleur van de bruine feomelanine in het verlengde liggen van het genotype ofwel kan men dit niet. In het eerste geval zal men dan de eerste optische factor uit de bruine vogels weren. In het tweede geval zal men daarentegen deze factor bewust inbrengen. In dit laatste geval kunnen deze vogels dan natuurlijk ook maximale feomelanine bezitten maar is deze niet als bruine feomelanine waar te nemen. Waarmee tegelijkertijd het onderscheid is geduid tussen feomelaninebezit en zichtbare bruine feomelanine.
De vijfde vraag is dus in feite dezelfde vraag als de eerste.
 
Foto: Frans Begijn
 
Bespreking
De bestreping ligt in elkaars verlengde en vertrekt vanaf de kop. De kleur van de eumelanine is lichtgrijsbruin. De kleur tussen de bestreping is groenachtig geel. Dit is een teken dat deze vogel heel wat optische factor bezit met wat  feomela­nine.
 
Wat is de kleur van de bruine melanine (respectievelijk de eumelanine en de feomelanine) bij een bruine kleurkanarie? Is deze (donker)bruin, of is deze daarentegen meer (donker)bruin-grijs?
 
Autosomaal, intermediair, dominant, dimorfisch
De eerste optische factor is een factor die gelegen is op een autosomaal chromosoom. M.a.w. deze factor vererft niet geslachtsgebonden. Hij vererft ook intermediair, waardoor de uiterlijke verschijningsvorm een mengvorm is van hetgeen deze kanarie van zijn ouders heeft meegekregen. Dit biedt de liefhebber ook de mogelijkheid om de werking van deze factor te versterken of te verminderen. Deze factor heeft ook een dominante werking hetgeen tot uiting komt als volgt: als een kanarie deze factor bezit dan zal hij deze altijd tonen. Belangrijk is ook dat deze factor een dimorfisch kenmerk heeft. Bij mannen zal op heel wat plaatsen deze optische factor meer aanwezig zijn dan bij poppen. Vooral op de kop, borst, stuit, schouders is dit waar te nemen.
 
De kobaltfactor
De kobaltfactor is een van onze laatste spectaculaire mutaties bij onze kleurkanaries. Hierbij kan iedereen, en dit zelfs met het blote oog, vaststellen dat de feomelanine vermeerdert. De eerste kobaltvogels werden aangeboden in de zwartreeks. Bijna alle vogels hadden daarbij een weinig bruine waas over het ganse lichaam en vertoonden een matte kleur. Vele liefhebbers hebben nog steeds dat eerste beeld voor ogen van hoe deze mutatie is er toen uitzag. Verschillende technische comité’s zijn ook – naarstig zoals ze zijn – bijna onmiddellijk begonnen met standaardeisen op te stellen over hoe deze mutatie er moest/zou moeten uitzien.
Spijtig genoeg werden er een aantal te vlugge conclussies getrokken omdat men zich vooral op deze uiterlijke verschijning baseerde. Door deze mutatie te erkennen als een factor en deze hetzelfde statuut te geven als de pastelfactor, de opaalfactor, de inofactor… zijn ze in essentie verplicht om deze mutatie te aanvaarden in alle klassieke kleuren: de wildvorm (zwart), de wildvorm-agaat (agaat), de bruine, de bruin-agaat (isabel) kanaries. Hierdoor maken ze het én de liefhebbers én de keurders bijzonder moeilijk.
Vogels die in het bezit moeten zijn van maximale melanine (zwartreeks en bruinreeks) zullen in de toekomst moeten worden bestraft als deze teveel feomelanine zouden bezitten. Arme keurders die daarvoor de verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. In essentie beantwoorden deze vogels immers perfect aan het gegeven van maximaal feomelaninebezit. Dat dit maximum feomelaninebezit op een andere wijze kan worden behaald is in het verleden vooral in de bruinwit reeks bewezen. Heel wat liefhebbers hebben vogels gekweekt met spectaculair veel feomelanine en dit uitsluitend door selectie en correcte paringen.
Vogels die in het bezit moeten zijn van minimale feomelanine zoals de wildvorm-agaat (agaat) en de bruin-agaat (isabel) zal men met veel feomelanine moeten aanvaarden. Contradictorischer dan dit kan uiteraard niet.
Een volgende vraag moet daarom dringend worden beantwoord.
Gaan bruine vogels in de toekomst worden beoordeeld op het fenotype of op het vermoedelijk genotype. M.a.w. wordt het begrip maximaal feomelanine begrensd door het vermoeden van de invloed van onbekende factoren?
Mijn besluit is dan ook eenvoudig. Als men voor bruine vogels maximale feomelanine eist zullen alle bruine vogels in de toekomst de kobaltfactor bezitten. Als men voor bruine vogels geen maximale feomelanine eist dan moet de kobaltfactor worden geweerd.
 
De azulfactor
Over de azulfactor is de laatste tijd heel wat gesproken en allerlei meningen worden hierbij geuit. Proefondervindelijk heb ik het volgende vastgesteld.
Azulvogels een iets mauvere lichaamskleur t.o.v. een klassieke vogel (als je natuurlijk met recessiefwitte vogels kweekt is dit niet op te merken).
Azulvogels hebben een iets tragere groei t.o.v. klassieke vogels (al mag men dat bij goed voerende poppen niet overdrijven).
De werking van de azulfactor is reeds zichtbaar in de nest.
De feomelanine – die bij een klassieke zwarte vogel voor de eerste rui zeer goed waarneembaar is als bruine feomelanine – is niet bruin meer. Deze melanine heeft een transformatie ondergaan en is grijs geworden. Alhoewel niet volledig. Bij sommige vogels blijft er in de zwartreeks nog een zweempje bruine feomelanine over. Waarschijnlijk is dit te wijten aan de hoeveelheid feomelanine die in de vogel aanwezig is. Dus zomaar zeggen dat de azulfactor alle bruine feomelanine transformeert zodat deze grijs toont is niet correct. Na de ruiperiode kan men in de zwartreeks dit klein beetje overblijvende bruine feomelanine ook niet meer zien. Deze feomelanine heeft ook een grijze kleur gekregen. Daarvoor is de eerste optische factor verantwoordelijk.
Wat helemaal niet correct is, is het feit dat de azulfactor het feomelaninebezit vermindert. Sommige beweren zelfs dat de azulfactor hetzelfde zou zijn als een monomelanine vogel. Niets is minder waar natuurlijk. Heel wat monomelanine vogels zijn wel in het bezit van de azulfactor maar dit is totaal iets anders.
De kleur van de bek wordt niet beïnvloed door de azulfactor. Naast de hoeveelheid eumelanine en feomelanine zijn er nog heel wat onbekende factoren en milieu-invloeden die vooral de kleur van de hoorndelen bepalen.
Aangezien bij vogels die in het bezit zijn van deze factor de kleur van de aanwezige melanine (zowel eumelanine als feomelanine) niet de natuurlijke kleur is, maar een meer (donker)grijze kleur, kan ik niet anders dan besluiten dat deze factor een optische factor moet zijn. Nergens heb ik in gespecialiseerde literatuur kunnen achterhalen dat bij vogels, zoogdieren of planten de bruine kleur van feomelanine grijs kan zijn. Wel grijs tonen door de inwerking van andere factoren. Deze factor noem ik in de toekomst dan ook de ‘tweede optische factor’.
Een analoog besluit als bij de werking van de eerste optische factor dringt zich op.
Wat is de kleur van de bruine melanine (respectievelijk de eumelanine en de feomelanine) bij een bruine kleurkanarie? Is deze (donker)bruin, of is deze daarentegen meer (donker)bruin-grijs?
Men kan voor bruine kleurkanaries ofwel bewust kiezen dat zowel de kleur van de bruine eumelanine als de kleur van de bruine feomelanine in het verlengde liggen van het genotype ofwel kan men dit niet. In het eerste geval zal men dan de tweede optische factor uit de bruine vogels weren. In het tweede geval zal men daarentegen deze factor bewust inbrengen.
Inhoud van gehanteerde begrippen
Eén van de belangrijkste problemen die vogelliefhebbers hebben als ze met elkaar communiceren is dat iedereen een andere invulling geeft aan bepaalde begrippen. Zo wordt er onder meer veelvuldig gebruik gemaakt van de benaming grondkleur (vooral België maar ook in Nederland) en bijkleur (uitsluitend in Nederland). Met deze benamingen wordt soms de lipochroomkleur geel, rood of het ontbreken van de lipochroomkleur zijnde wit bedoeld, een andere keer bedoelt men lipochroomkleur maar daarbij ook heel wat andere factoren zoals de feomelanine, de intensieffactor, de eerste en tweede optische factor…
Indien ik bij het lezen van standaardeisen vaststel dat dit het geval is probeer ik te achterhalen wat juist wordt bedoeld. Ikzelf zal bv. het begrip grondkleur nooit gebruiken. Consequent gebruik ik de benaming lipochroomkleur, alsdan is communicatie mogelijk omdat éénduidige begrippen worden gebruikt.
Op welke wijze kunnen meervoudige begrippen consequent uit standaardeisen worden geweerd of beter geduid?
Monomelanine vogels
Hierboven heb ik al enkele malen het begrip monomelanine gebruikt. Een begrip dat de laatste tijd meer en meer, vooral door Italiaanse en Spaanse kwekers, wordt gehanteerd. Maar ook voor heel wat liefhebbers van bij ons is dit geen onbekend begrip.
In feite zegt de naam zelf wat hiermee wordt bedoeld. Mono betekent in deze context iets dat bestaat uit één element. Velen verstaan hieronder kanaries die enkel eumelanine bezitten. Uiteraard is dit maar een deel van het verhaal. Kanaries kunnen ook bijna uitsluitend feomelanine bezitten.
In de bruinreeks hebben we decennia geprobeerd om jarenlang vogels te kweken die bijna uitsluitend feomelanine bezaten. We zijn daar ook aardig in geslaagd. Vooral in de bruinwit reeks hebben zowel de Nederlanders als de Belgen prachtige exemplaren gefokt. In deze vogels werd door selectie de eumelanine bewust uit de vogels gekweekt en op deze plaatsen feomelanine ingekweekt. In de bruingeel en de bruinrood reeksen zijn we daarentegen nooit zover geraakt.
Italianen en Spanjaarden hebben het tegenovergestelde gedaan. Vooral in de zwartreeks en de agaatreeks, maar eveneens in de bruin- en in de isabelreeks zijn ze resoluut een totaal andere richting ingeslagen. Zij bewonderen vooral vogels die geen feomelanine bezitten. Zij hebben monomelanine vogels gecreëerd met bijna uitsluitend eumelanine. In de bruinreeks resulteert dit in een verschijningsvorm waar de eumelanine zeer contrastrijk aanwezig is ten opzichte van de aanwezige lipochroomkleur (of het afwezig zijn van een lipochroomkleur).
Beide zienswijze stroken uiteraard niet met de eis van maximale eumelanine en feomelanine.
In essentie zijn in de volgende reeksen monomelanine vogels toegelaten. In de agaatreeks en in de isabelreeks, met inbegrip van de mutaties, waar men minimale feomelanine eist/normaal zou moeten eisen. Bij de ino’s waar men maximale feomelanine eist/zou moeten eisen.
In alle andere reeksen dient er natuurlijk klaarheid te komen in de richting dat men wil gaan. De volgende vraag moet dringend worden beantwoord.
 
Foto: Piet Onderdelinden
 
Bespreking
De eumelanine van deze bruingeelinten­sief is donker bruin. Deze vogel bezit bijna geen feomelanine meer, alleen op de rug is deze nog een beetje zichtbaar tussen de bestreping. De eerste optische factor is weinig aanwezig waardoor de eumelanine en de feomelanine bruin blijft.
 
Op welke wijze wordt naar de liefhebber klaarheid geschapen i.v.m. de creatie van monomelanine vogels en de plaats die deze in het vraagprogramma innemen?
Standaardeisen onder de loep
De volgende tabellen hebben twee kolommen. De linker kolom een aantal geformuleerde standaardeisen. De rechterkolom een aantal persoonlijke vaststellingen en aanmerking bij de studie van deze standaardeisen. Als referentie werden de AOB-standaardeisen voor kleurkanaries van 2004 genomen. Hierin maakt men 3 grote onderverdelingen:
Algemene eisen die vermeld worden bij de vier klassieke melaninen (AOB2004-1).
Algemene eisen voor de klassieke melanine in de bruinserie (AOB2004-2).
Specifieke eisen voor bepaalde bruine vogels (AOB2004-3)
Iedereen kan daarbij vaststellen dat door deze voorstelling en onderverdeling er een aantal algemene eisen worden geformuleerd die niet altijd consequent kunnen worden doorgetrokken voor zowel de intensieve als de schimmelvogels. Het is dan ook niet altijd eenvoudig om specifieke eisen goed te begrijpen.
Voor deze studie heb ik mij beperkt om alleen het eumelanine en feomelaninbezit te bekijken. Ik heb deze dan ook gegroepeerd. Een abstract van elke standaardeis voor de klassieke kleurslagen kan men terugvinden op de volgende pagina: klik hier.
De geformuleerde standaardeisen van de KBOF, de NBvV en de ANBvV van 2005 verschillen in essentie niet van de kleurstandaardeisen van de AOB (2004).
 
Eumelanine eisen
Eisen voor zowel de intensieve als de schimmels
Standaardeisen
 
Studie – vaststellingen – aanmerkingen
 
[01] Maximale niet gereduceerde melanine (AOB2004-1).
[02] Maximale donkerbruine eumelanine (AOB2004-1).
[03] Maximale bruine eumelanine en bruine feomelanine (AOB2004-2).
[04] Duidelijke minimaal onderbroken bestreping (AOB2004-1).
[05] De eumelaninebestreping zal zo weinig mogelijk onderbroken zijn (AOB2004-2).
[06] De breedte van de bestreping mag de breedte van de zones tussen de bestreping niet overschrijden (AOB2004-1).
[07] De breedte van de eumelaninebestreping mag de breedte van de zones tussen de bestreping niet overschrijden (AOB2004-2).
[08] De melanine van de bestreping moet identiek zijn in de vleugel- en staartpennen (AOB2004-1).
[09] Symmetrische bestreping in rug en flanken (AOB2004-1).
[10] Duidelijke bestreping mooi gelijnd, van boven naar onder (AOB2004-1).
[11] Een duidelijk eumelaninepatroon (AOB2004-2).
[12] De melanine vertrekt aan de snavel (AOB2004-2).
[13] De bestreping vertrekt op de kop en zal via de rug, in langsrichting, doorlopen naar beneden (AOB2004-2).
[14] Ook de flanken zullen goed bestreept zijn en dit in symmetrie met de rugbestreping (AOB2004-2).
[15] De bestreping zal beginnen vanaf de bek over de rug tot de stuit (AOB2004-2).
[16] Bij de grote pennen en de dekveren vertrekt de donkerbruine eumelanine van tegen de licht gepigmenteerde schacht en zal verder, naar de buitenzijde toe, praktische de volledige pluim bedekken. Enkel langs de buitenrand zal de grondkleur zichtbaar zijn maar bruine feomelanine is uit den boze bij alle intensieve in de drie grondkleuren (AOB2004-2).
[17] De donkerbruine eumelanine, in de vorm van een bestreping in rug en flanken, moet duidelijk contrasteren met de ondergrond (AOB2004-2).
[18] De bek, poten en nagels kunnen licht gepigmenteerd zijn maar moeten egaal en éénkleurig zijn (AOB2004-2).
 
 
[01] Hierbij eist men zowel maximale eumelanine als maximale feomelanine.
[02] De kleur van de eumelanine wordt bepaald. Deze is donkerbruin. Deze eis geldt dus voor zowel de intensieve als voor de schimmelvogels.
[03] Met maximale melanine bedoelt men duidelijk maximale eumelanine en maximale feomelanine. De kleur van beide melaninen wordt nogmaals beklemtoond en is bruin. Uiteraard is er een verschil in kleur tussen het bruin van de eumelanine en het bruin van de feomelanine, maar daar gaat men hier niet verder op in.
[04] en[05] Hier wordt gekozen voor een niet natuurlijk bestrepings­patroon.
[06] en [07]De bestrepingsbreedte wordt begrensd.
[08], [09], [10], [11], [12], [13], [14] en [15] Zijn conformiteitsei­sen. Zou het kunnen dat men op andere plaatsen van het lichaam weinig of geen eumelanine mag/moet bezitten zoals borst, keel onderlichaam?
[16] De buitenrand van vleugel en staartpennen bezitten voornamelijk feomelanine. Deze omschrijving wil in feite zeggen dat daar geen maximale feomelanine moet aanwezig zijn. Deze eis ligt dus in het verlengde van [08].
[17] De kleur van de eumelanine wordt nogmaals bevestigd. Het begrip ondergrond wordt hier geïntroduceerd. Hier kan men twee betekenissen aan toekennen: ofwel beperkt men zich tot de lipochroomkleur, ofwel bedoelt men de lipochroom, het feomelaninebezit en andere inwerkende factoren. In dit laatste geval is het een containerbegrip.
De eis dat de eumelanine moet contrasteren met de ondergrond kan enkel worden bereikt als deze bruine vogels minimale feomelanine bezitten. Voor de intensieve vogels wordt dit uitdrukkelijk zo gesteld. Dit betekent in essentie dat men monomelaninevogels met enkel eumelaninebezit wil waarderen. Daardoor is deze eis volledig in tegenstrijd met standaardeis [01].
[17] De kleureis voor bek, poten en nagels bevat het woord 'kunnen' en is enkel een egaliteitseis. Eén en ander is nochtans afhankelijk van maximaal melaninebezit.
 
Eisen voor de intensieve
Standaardeisen
 
Studie – vaststellingen – aanmerkingen
 
[19] Maximale eumelanine in vleugel- en staartpennen, omzoomd met minimale bruine feomelanine (AOB2004-2).
 
 
[20] Minimale bruine omzoming vóór de eerste ruiperiode kan enkel maar worden bekomen als de vogels in het bezit zijn van de azulfactor of indien het monomelaninevogels zijn die enkel in het bezit zijn van eumelanine. Deze eis is volledig in tegenstrijd met [01].
[20] Bij de schimmelvogels aanvaardt men een tolerantie in meer. Bij intensieve vogels zou men verwachten dat men een tolerantie in min zou aanvaarden.
 
Eisen voor de schimmels
Standaardeisen
 
Studie – vaststellingen – aanmerkingen
 
[20] Bij schimmels is een nog iets bredere bestreping toegelaten evenals een minimum aan feomelanine (AOB2004-2).
 
 
[20]  Voor schimmelvogels aanvaardt men een tolerantie in meer.
 
Feomelanine eisen
Eisen voor zowel de intensieve als de schimmels
Standaardeisen
 
Studie – vaststellingen – aanmerkingen
 
[21] De feomelanine moet vermengd zijn met de grondkleur AOB2004-2).
[22] De oxidatie kan zichtbaar zijn vanaf de kopstreek, welke daar zelfs een weinig donkerder kan zijn, en zo doorlopen tot tussen de poten (AOB2004-2).
[23] Bij de bruinwitte vogels maken we het onderscheid tussen intensief en schimmel, net zoals bij de bruingeel en -rood (AOB2004-2).
 
 
[21] Het begrip grondkleur wordt hier gebruikt. Bedoelt men enkel lipochroomkleur of ook lipochroomkleur en andere factoren?
[22] Welk invulling geeft men aan het begrip oxidatie? Bedoelt men feomelanine plus optische factor? Als dit laatste wordt bedoeld dan aanvaardt men een grote tolerantie inzonderheid wat de egaliteit van het feomelaninebezit betreft en de werking van de optische factor.
[22] Hier wordt gewoon gezegd dat er twee verschillende standaardeisen zijn voor de intensieve en de schimmel bruinwitte vogels. Dit is een uitzondering in onze klassieke kleuren. Dit is niet het geval in de zwartreeks, de agaatreeks en de isabelreeks.
 
Eisen voor de intensieve
Standaardeisen
 
Studie – vaststellingen – aanmerkingen
 
[24] Geen feomelanine bij de intensieve vogels (AOB2004-1).
[25] Bij de intensieve, met minimale bruine feomelanine, zullen normaal de mannen het best de standaard benaderen (AOB2004-2).
[26] Optische factor zal de helderheid en contrast bevorderen.
 
 
[24] Deze eis is in tegenstrijd met eis [21]
[25] Soms spreekt men van minimaal, soms van geen feomelanine. In essentie betekent dit dat met als standaardeis voor de bruinintensieve vogels een monomelanine vogel heeft beschreven met alleen eumelaninebezit. Deze eis is volledig in tegenstrijd met eis [01]. Zou men zich niet de vraag moeten stellen dat standaardeisen worden opgesteld zonder hierbij geslachtskenmerken te vernoemen?
 
Eisen voor de schimmels
Standaardeisen
 
Studie – vaststellingen – aanmerkingen
 
[27] Een weinig bruine feomelanine is tolereerbaar bij de schimmels (AOB2004-2).
[28] Bij de schimmels, waar we maximale bruine feomelanine vragen, zullen de poppen normaal beter de standaard benaderen (AOB2004-2).
 
 
[27] en[27] Zijn twee tegengestelde eisen.
[28] Soms spreekt men van minimaal, soms van geen feomelanine. Zou men zich niet de vraag moeten stellen dat standaardeisen worden opgesteld zonder hierbij geslachtskenmerken te vernoemen?
 
Slotwoord
Vrienden vogelliefhebbers.
Bruine kanaries – één van onze klassieke kleuren – door heel wat liefhebbers geliefd, door andere verwenst omdat het ideaalbeeld zo moeilijk te bereiken is. Maar welke kleur is dat niet? Ik hoop van ganser harte dat dit artikel een bijdrage levert om het kweken naar ideaalbeelden in de bruinserie mogelijk te maken. Hopelijk heb ik de moeilijke dingen voldoende helder geformuleerd en de pijnpunten duidelijk blootgelegd. Deze kleurslag verdient immers een 'nieuwe' bloeiende toekomst. Maar ik kan niet voorbijgaan aan het feit dat iedereen nood heeft aan nog helderder standaardeisen wil men echt weten welke richting men uit moet. Opbouwende kritiek wordt daarbij in dank aanvaard.
© Gilbert Vanden Borre
Opmerkingen
By Frans Begijn @ zondag 23 maart 2008 9:01
Je blijft onnavolgbaar in je streven naar de ultieme perfectie Gilbert. Dit dokument getuigt van énorm veel deskundigheid. Ik zal het met veel interesse graag herlezen.
 
 
 
By van Gils @ maandag 24 maart 2008 12:25
Zo een artikel schrijven is maar weinig liefhebbers kwekers gegeven ,om zover in de erfelijkheid en begrippen en onderzoeken te duiken over een bepaalde kleurslag,en dan op zo een perfectie manier .Ja er is geen spelt meer tussen te krijgen .Een schitterend artikel zelden gelezen ,en ik zal het nog diverse malen lezen !!!!!.Een zeldzaam artikel .Waar we allen eens even bij moeten stil staan ,wat daar een studie ,inzet en overgaven aan vooraan gegaan is. Om dit zo uitgebreid op paier te krijgen Proficiat Gilbert.
 
 
 
U moet ingelogd zijn om een opmerking te posten. U kunt hier inloggen.
 
HomeArtikelenStandaardenWeblogsForumTe koopLinks
Hosting en Design :: Stabiton bvba2007 • Hosting en Design © Stabiton bvba Gebruiksovereenkomst | Privacybeleid | 2017-10-24